Vuur, volgens de Grieken één van de vier elementen. Het vuur is niet door de mens uitgevonden, hij heeft het alleen zelf leren maken en gebruiken. Voordat de mens aan de slag ging met vuursteen en zwavelstokjes moest het vuur gevangen worden. Wachten op een vulkaanuitbarsting of, misschien iets praktischer, even goed opletten bij blikseminslag. Daarna werd het bewaard in een vuurhuis, waarvan ongeveer elke stad er een had. Vuur on demand, het kostte wat bomen om het brandje gaande te houden, maar wat een luxe om het op afroep te hebben.

In de jaren ’70 ontwikkelde de Nederlandse Henri Peteri (1918-2007) eenzelfde wens voor het altijd hebben van kokend water. Peteri was destijds voor Unilever betrokken bij de ontwikkeling van instant-soep, inmiddels ingeburgerd als Cup-a-Soup. Volgens Peteri klopte de term instant niet, want naast het poeder voor de soep is er ook kokend water nodig om er daadwerkelijk eten van te maken. En dat duurt vijf minuten. Peteri vond het onzin dat je moest wachten op een ketel op vuur voor een soep die feitelijk al in vijf seconden bereid kon worden. Eigenwijs en ambitieus verruilde hij Unilever voor zijn eigen kelder en ontwikkelde daar al snel prototypes van een kokendwaterkraan die hij sleet aan vrienden en familie. Opmerkelijk detail: Peteri legde zijn idee eerst voor aan zijn toenmalige werkgever, maar die moest er niets van weten.

Waarom eigenlijk niet? Peteri zelf, later bijgestaan door zijn beide zoons, hield decennia lang vol met de ontwikkeling van zijn uitvinding. Net zolang totdat hij zelfs op de voegen tussen de bakstenen van zijn huis een hypotheek moest afsluiten: ‘De stofzuiger sloeg eerst ook niet aan, maar nu wil niemand meer anders.’ De kokendwaterkraan van Peteri vergroot inderdaad het gemak als je kokend water nodig hebt. Maar hoe vaak heb je dat écht nodig? De goeie ouwe fluitketel op het fornuis is zo goed als uit de keuken verdreven door de waterkoker. De waterkoker was destijds, naast een luxeproduct, ook echt innovatief. Met een druk op de knop was water koken sneller en vooral veiliger geworden (stopt vanzelf bij kookpunt, geen open vuur en geen gloeiend hete ketel). Dat men er een hogere elektriciteitsrekening door kreeg heeft niemand er ooit van weerhouden te kiezen voor de ketel van de toekomst.

Heeft de Quooker, zoals de gepatenteerde uitvinding van Peteri door het leven gaat, het in zich om van de waterkoker te winnen? Belangrijkste verschil met de waterkoker is dat de Quooker niet bepaald een innovatief karakter heeft. De Quooker heeft wat dat betreft meer overeenkomst met het vuurhuis van vroeger; er lijkt immers een waterkoker continu aan het werk om het vuurtje op te stoken. En hoe zit het hier met je elektriciteitsrekening? Quooker claimt op haar site dat het stand-by houden van het nieuwste vacuüm geïsoleerde reservoir 5 eurocent per dag kost, ongeveer 18 euro per jaar. Er wordt niet vermeld wat het kost om het kraanwater op te stoken als de stand-by liters zijn genuttigd.

Kokend water, er is niets innovatiefs aan. Kies je voor de Quooker, kies je voor gemak, voor efficiëntie. De zin uit het kookboek ‘wacht tot het water kookt’ mag worden geschrapt. Ook kies je voor hogere maandlasten en meer waterverspilling, want elke keer als je hem aan zet is het eerste beetje kokende water niet het schoonst, aldus Quooker. Maar het went snel, zo’n Quooker. Het gaat ook snel; een kopje thee, pasta koken of een babyflesje maken. De waterkoker is ineens bejaard, een tijdrovend ding. De Quooker is geen innovatief product, maar een uitvinding. Henri Peteri was naast doorzetter een verdomd commerciële uitvinder en heeft waarschijnlijk gelijk: ‘Eens een Quooker, je wilt niet meer anders.’

Deze product-review is geschreven door Peter Veldhoven, commercieel directeur Veeel Ontwerpers (www.veeel.com)