Producten zijn tegenwoordig steeds slimmer. Dat betekent onderhuids vaak ook complexer. Complexe producteigenschappen vertalen zich naar het traject om het product te ontwikkelen en realiseren. Hoe complexer het product, des te uitgebreider de variabelen binnen het ontwikkelingsproces. Denk aan planning, expertise en budget.

Als productontwikkelaar maak ik mijn gesprekspartners-met-een-ontwikkelwens graag deelgenoot van het proces wat hen staat te wachten. Ik ben altijd erg benieuwd naar de daaropvolgende reactie. Vaak voelt het ‘als een bommetje droppen’. De een reageert beter op dit ‘nieuws’ dan de ander. Vaak worden illusies na zo’n reality-check een stuk armer. Hoe complex is hun productidee dan wel niet? Het idee is er toch al? Zal het op stapel staande proces niet uit de klauwen zal gaan lopen, qua tijd en geld? Om hen gerust te stellen zeg is vaak dat we niet ‘zoiets als een vliegende auto hoeven te ontwikkelen’.

Of eigenlijk, dat zei ik. Want mijn plafond als het gaat om het meest-complexe-product-ter-wereld was deze week zomaar in De Wereld draait Door. Het was reeds 1 april geweest dus dat kon het niet zijn. Het filmpje met testrit (en –vlucht) zei genoeg: de vliegende auto is ontwikkeld. Dus ik kan op zoek naar een nieuwe extreme als het gaat om het illustreren van een mogelijk zeer complexe productontwikkeling.

Los van die complexiteit noemde ik dit stokpaardje ook altijd een beetje gekscherend. Een vliegende auto, dat slaat toch he-le-maal nergens op? Zeker omdat het zo druk is op onze wegen dan maar de lucht in? Verplaatsing van het probleem, bovendien levensgevaarlijk. Ik zou niet graag in de schoenen staan van de dienstregeling van het auto-luchtverkeer en de knoppen van vliegende matrixborden moeten bedienen. Ongelukken op de weg gebeuren vaak omdat weggebruikers denken of vinden dat ze alleen zijn. Hoe zou dat in het luchtruim zijn? Heeft rechts dan nog steeds voorrang?

Nee, laten we vooral met beide assen op de grond blijven. Natuurlijk is het een mooi idee, zo’n driewieler die scheert over de dagelijkse file van de stumperts in auto’s die niet kunnen vliegen. Voor mij is het apparaat waar Martin Schröder zijn hart in DWDD aan heeft gegeven nog steeds een vliegtuig. Dat het ding 180 kilometer per uur over de weg kan scheuren maakt het nog geen comfortabel en/of veilig personenvervoersmiddel. Laat staan een object of desire. OK, tenzij je de lucht in wil, natuurlijk. Maar laten we eerlijk zijn: het ding ziet er niet uit.

Als autoliefhebber in hart en nieren heb ik mij de afgelopen dagen afgevraagd wat ik met dit product moet. Ik houd van het contact met de weg. Het leukste van vliegen vind ik het opstijgen. Het stukje dat het vliegtuig nog contact heeft met de weg en in een paar seconden accelereert naar snelheden het drievoudige van wat ik het hardst in NL mag rijden. Zodra we vliegen is de lol er voor mij af. Nee, een vliegende auto is geen auto, laat men eerder praten over een rijdend vliegtuig.

Natuurlijk zal het eerst een kleine markt zijn die zo’n vliegende driewieler zal aanschaffen. Om van Eindhoven naar Groningen te vliegen en dan vandaar met je maat door te rijden naar Groningen-PSV. Makkelijk als je je brevet hebt. En toch al een Ferrari in je garage. Een leuk hebbedingetje voor de happy few. Innovatief is het wel, het geeft de mogelijkheden weer die de gebroeders Das decennia geleden al tekenden. Geen uitdaging te gek is voor de mens. Nu is het wachten op de vliegende auto die elektrisch is aangedreven en verticaal opstijgt. Juist, mijn nieuwe plafond als het gaat om een complex product.